Op een vrieskoud, aardedonker perron

In de categorie dingen waar een mens blij van wordt: geweldige citaten. Ontzettend vaak kom ik ze niet tegen, maar soms zit ik te lezen en opeens is daar een zin die je vier, vijf keer achter elkaar leest. Dan weet ik dat ik mijn opschrijfboekje moet pakken.

Die citaten, zeker als je ze vier, vijf keer hebt gelezen en daarna met de hand overschrijft, nestelen zich in je hoofd. Zo bouw je een reservoir op aan gedachten en formuleringen waar je uit kunt putten op momenten dat je geen inspiratie hebt, iets naars meemaakt of juist iets heel moois.

Of als je heel lang moet wachten vanwege een defecte trein. ‘Wachten is oude tijd die te lang heeft gestaan.’

Ze slijten nooit, vormen in de loop van de tijd een mantra in je leven – een verinnerlijkt gebed dat de kapstok is waaraan je ervaringen ophangt. Losgezongen uit hun oorspronkelijke context krijgen ze een eigen geschiedenis, jouw geschiedenis, jouw verhaal.

Een beetje zoals de verhalenvertellers van vroeger het raamwerk van een complete ridderroman in hun hoofd hadden, aan de hand waarvan ze de hele plot konden opdissen aan het luisterend publiek. Eerste voorwaarde: een goede formulering, anders onthoud je het niet. En juist vanwege de goede formulering onthoud je ze in eerste instantie, kunnen de citaten zich überhaupt aan het raamwerk vastklitten.

Daar sta je op het vrieskoude, aardedonkere perron van station Houten. ‘Niemand blijkt zich in vakantieoord vergist te hebben: iedereen trof het paradijs.’ ‘Weer ging er een jaar voorbij, en daarin was ik precies een jaar ouder geworden.’

Eindelijk een trein. Zitplaatsen, zelfs. Maar dan, aankomst in Utrecht.

Honderden dringen zich op aan de enige trein in het laatste uur. We kunnen nauwelijks uitstappen. Mensen duwen, er klinken lacherige gilletjes, waar een ondertoon van paniek in ligt. ‘War of every man against every man.’ ‘…And the life of man, solitary, poore, nasty, brutish, and short.’ ‘Duizeligheid is angst, niet in de zin dat ik ervoor beducht ben in de afgrond te vallen maar me erin te storten.’

Ik vrees voor de uitzendkrachten met een hesje aan waarvan de rug te lezen geeft ‘NS service en veiligheid’. Hoe zat het ook weer met de dolkstootlegende? De meeste mensen blijven kalm, schuifelend maar opgejaagd gaan we richting de trappen, als slachtvee.

‘Maar groter dan alles is het, wanneer de ridder van het geloof tot de edele mens die over hem wil wenen, mag zeggen: “Weent niet over mij, maar weent over uzelf.”‘

Ik vond het een mooie avond. ‘The horror, the horror!’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *